zondag 15 mei 2016

Democratie

Radicale democratie achter nationaal hek?

Hans Goslinga − 15/05/16, 08:00
© anp. James Madison was één van de stichters van de Verenigde Staten met een tegendraadse visie.
COLUMN De opvatting is diep ingedaald dat de democratie alleen in kleine gemeenschappen kan werken. Hoe kleiner, hoe beter.
Het is een van de argumenten die populisten inbrengen tegen de Europese Unie. Maar wat zei James Madison, een van de stichters van de Verenigde Staten? Hoe groter, hoe beter. Hoe kleiner, hoe riskanter voor de vrijheid.

Het Amerika in die dagen, dertien staten met krap vier miljoen inwoners, is absoluut niet te vergelijken met het Amerika van nu of met Europa, maar het kan geen kwaad bij de tegendraadse visie van Madison stil te staan. Zeker nu het soort van democratie inzet van een heftige politieke strijd is, zowel in relatie tot de nationale als de Europese schaal.

De democratie is een olifant
In deze column heb ik Amerika vaak aangeduid als de eerste moderne democratie. Dat is misschien niet helemaal juist. De rechtsdenker en politicus Madison zag de jonge federatie als een 'niet-tirannieke republiek', die als voornaamste doel had de vrijheid te hoeden. Niet de democratie stond centraal in zijn visie, maar de vrijheid. Niet zo gek na de onafhankelijkheidsoorlog tegen de tirannieke Engelse koning.
  •  
    Democratie is niet vanzelfsprekend de vriend van de vrijheid
Madison doelde echter niet alleen op de zojuist gewonnen vrijheid van de federatie, maar ook op de vrijheid van burgers. In dat perspectief was hij beducht voor de democratie. De Franse politiek denker Tocqueville zou de democratie later beschrijven als 'een olifant die je moet leren berijden om te voorkomen dat hij je verplettert'.

Het is in onze dagen misschien even wennen aan de gedachte dat democratie niet vanzelfsprekend de vriend van de vrijheid is. Maar het is niet nodig ver in de geschiedenis terug te gaan om die beduchtheid te begrijpen. Madison was de democratie toegedaan als een belangrijke tegenmacht van een sterke centrale regering, maar hij vreesde de wil van de meerderheid, omdat die dingen kon doordrukken die de individuele vrijheid om zeep zouden helpen.

In kleinere gemeenschappen achtte hij dat gevaar reëler dan in een grote republiek, omdat daarin de diversiteit van opvattingen en belangen groter zou zijn. Of die visie nu nog volledig houdbaar is, betwijfel ik. De wijsheid erachter is dat wel: de democratie moet omwille van de vrijheid zichzelf duchten.
  •  
    Het ontbreekt de Europese Unie aan macht en slagvaardigheid om adequaat op crises te reageren
  • © Jorgen Caris.
    Hans Goslinga
De vrijheid staat centraal
De betekenisvolle verschuiving in het denken waartoe Madison aanzet, is dat je niet de volksinvloed centraal stelt, laat staan die invloed verabsoluteert zoals populisten doen, maar de vrijheid. Precies daarom was hij niet alleen voor een ingetoomde (representatieve) democratie, maar ook voor een regering die niet alleen het volk bestuurt, maar ook controle op haar doen en laten mogelijk maakt. "Als engelen mensen zouden besturen, had je geen controle van binnenuit en van buitenaf nodig."

Deze visie krijgt nog meer reliëf bij de wetenschap dat de confederatie van Amerikaanse staten de onafhankelijkheidsoorlog tegen de Engelsen bijna had verloren door een gebrekkig centraal gezag. Madison was, alweer omwille van de vrijheid, voor een sterke federale regering, maar maakte desalniettemin voluit ruimte voor de tegenmacht, in de vorm van volksinvloed en, kort gezegd, de rechtsstaat.

'De vergeten presidenten'
Vertaald naar onze tijd dringt de conclusie zich op dat het de Europese Unie ontbreekt aan macht en slagvaardigheid om adequaat op crises te reageren. Die gevolgtrekking betekent geen desavouering van de democratie, zoals absolutisten onmiddellijk zullen roepen. De stelling is zelfs verdedigbaar dat de tegenmacht op Europees niveau gebrekkig werkt, omdat de macht gebrekkig werkt. De besluitvorming van 28 regeringsleiders is moeizaam, de bevoegdheden zijn nog te beperkt, de uitvoering is vaak een kwestie van afwachten.
  •  
    In de jonge Verenigde Staten kreeg de macht pas een gezicht met George Washington
Het ontbreekt de Europese macht bovendien aan een gezicht. In de jonge Verenigde Staten kreeg de macht pas een gezicht met George Washington, de eerste president onder de nieuwe grondwet (van Madison). In werkelijkheid was hij de vijftiende president. Hij had veertien voorgangers, die de 'vergeten presidenten' worden genoemd. Dat zal vermoedelijk ook het historische lot van Van Rompuy en Tusk zijn, zou het tot een Verenigde Staten van Europa komen.

De crises en dreigingen waarop de Unie een antwoord moet vinden, onderstrepen de noodzaak van een sterker centraal gezag. Dat streven zou wellicht meer vaart krijgen als de vrijheid in collectieve en individuele zin voorop zou staan. De twee eeuwen oude wijsheid uit het Westen leert dat een radicale democratie waarin de wil van de meerderheid beslissend is, de vrijheid bedreigt. Zeker als je om die democratie nationale hekken plaatst.

zondag 10 april 2016

Tolerantie.

WAT IS TOLERANTIE?


theodewitOver wat de ethische deugd van de tolerantie inhoudt bestaat onder filosofen en historici een verrassend grote eensgezindheid. Tolerantie is de aanvaarding van praktijken, handelingen en overtuigingen die je tegelijkertijd hartgrondig afwijst.
Door: Theo de Wit
De socioloog Kees Schuyt heeft het kortweg over ‘het onderdrukken van de neiging om te onderdrukken’. Een mooie filosofische definitie geeft Paul Ricoeur: tolerantie is ‘de vrucht van een vorm van ascese in de uitoefening van de (persoonlijke of publieke) macht. Zij is een individuele of publieke deugd, die erin bestaat, niet in te grijpen, te interveniëren of te verhinderen, af te zien van bepaalde eisen, hoewel dat in mijn/ons vermogen ligt.’
Intolerantie kan vanuit deze definities worden begrepen als ingrijpen in praktijken en het trachten te verbieden van opinies die ons niet zinnen. Deze betekenis van het begrip gaat al terug naar de tijd van de godsdienstoorlogen in de zestiende en zeventiende eeuw, waar het ging om het verdragen van dissident geleefd geloof en dus om het opgeven van het ideaal van een in religieus opzicht homogene politieke gemeenschap.
Een paar actuele voorbeelden. Ik kan de mening van een columnist of politicus verafschuwen, maar er tegelijkertijd zelfs voor opkomen dat zij wel de ruimte en de vrijheid krijgt die mening te laten horen. Ik kan een grote weerzin voelen tegen boerka’s, maar toch opkomen voor de vrijheid van godsdienst die deze dracht mogelijk maakt. Volgens sommige historici was Voltaire een van de eersten die opkwam voor tolerantie in deze zin van het woord.
Maar waarom zou ik mijn neiging om die columnist te ontslaan (gesteld dat ik over die macht beschik) eigenlijk onderdrukken? Waarom zou ik praktijken die ik hartgrondig afwijs eigenlijk aanvaarden, vanwaar mijn impuls om weerzinwekkende opinies te weren eigenlijk onderdrukken? Is dat niet eerder een vorm van lafheid, een merkwaardige vorm van masochisme, een gebrek aan een rechte rug of minstens laakbare onverschilligheid? Hier komen we bij de kern van het begrip tolerantie. Het antwoord moet zijn: omdat er door tolerantie iets zeer belangrijks wordt beschermd waardoor ik bereid ben de prijs en de moeite van de verdraagzaamheid betalen. Dat beschermwaardige is in het  voorbeeld van de columnist het vrije publieke debat, zo cruciaal voor een democratie, dat mede door tolerantie van meningen, óók onaangename of afwijkende, mogelijk wordt gemaakt. In het voorbeeld van de boerka is dat de vrijheid van godsdienst, een van de eerste van de reeks vrijheden die onze moderne rechtsstaat schragen.
De centrale paradox van de tolerantieEr is veel gediscussieerd over ‘paradoxen’ die in het begrip tolerantie schuil zouden gaan. In 1995 bracht Bernard Williams de centrale paradox van de tolerantie als volgt onder woorden: ‘Tolerantie lijkt onmogelijk, want ogenschijnlijk vraagt zij van ons dat wij van mening zijn dat een bepaald geloof of een bepaalde praktijk volstrekt verkeerd of slecht is, maar er tegelijkertijd iets intrinsiek goeds in zien wanneer wij die laten gedijen.’
Toch hoeft van een paradox geen sprake te zijn wanneer wij inzien dat goed begrepen tolerantie altijd in dienst staat van een hoger goed dat door haar wordt beschermd en die de tolerantie tegelijkertijd begrenst; zij kan dus nooit zelf de hoogste waarde zijn. In zo’n hoger collectief goed is de tolerantie ingebed. Wie tolerantie bijvoorbeeld bepleit omdat zij de ‘open samenleving’ mogelijk maakt, geeft daarmee aan dat deze open samenleving zelf niet ‘geopend’ en prijsgegeven kan worden. Wordt deze (ernstig) bedreigd, dan naderen we ook de grens van de tolerantie.
De enige maar ook absolute grens bij de tolerantie in het  voorbeeld van de columnist is het gebruik van geweld of het oproepen of dreigen daarmee, omdat dat het publieke debat zelf vermoordt. Wat dat betreft is er weinig reden om tevreden te zijn met het Nederlandse  tolerantieklimaat, want met grote regelmaat horen wij over ernstige bedreigingen in de richting van mensen die in het openbaar meningen verkondigen die anderen niet bevallen, recentelijk nog bij de discussie over Zwarte Piet.
Oorlogszuchtige tolerantieEr is nog een andere ontwikkeling die tolerantie in bovengenoemde zin ondermijnt. ‘Cultuur’ of  beschaving en zelfs ‘traditie’ is vandaag voor menigeen de aanduiding van zoiets als een politieke scheidslijn. Dat is een zeer opmerkelijke ontwikkeling. Het is dan niet langer ‘ideologie’ die ons verdeelt, zoals ten tijde van de Koude Oorlog (socialisme of kapitalisme), ook niet zozeer onze staatsvorm (democratisch of niet), maar de cultuur en zelfs de religie als onderdeel daarvan. Wij mogen in Nederland de laatste jaren dan afscheid hebben genomen van een ietwat rozig idee over een ‘multiculturele samenleving’ als een harmonieuze samenzang van vele culturele stemmen, maar we zijn onszelf en anderen nog steeds blijven beoordelen in termen van ‘cultuur’. We zijn kortom geen multiculturalisten meer maar des te meer ‘culturalisten’. Voor menigeen staan de zaken vandaag zelfs zo: ‘wij’ hebben cultuur (beschaving, vrijheid, gelijkheid etc), maar ‘zij’ zijn cultuur, dat wil zeggen nog steeds in de greep van niet-liberale cultuurwaarden en een ‘achterlijke’ religie.
Deze nieuwe politieke verdeling en verdeeldheid raakt ook het begrip tolerantie. Want wat gebeurt er als tolerantie onderdeel wordt van een cultuurstrijd? Dan verliest het begrip zijn zelfbeperkende en zelfkritische kracht en wordt het op zijn beurt de aanduiding van een scheidslijn, namelijk die tussen tolerante en niet-tolerante culturen of religies. Tolerantie verandert dan van de deugd van de terughoudendheid (niet ingrijpen, niet verhinderen etc.) in een eigenschap waarmee ik mijzelf en mijn cultuur feliciteer en waarmee ik de ander zijn tekort inwrijf. Laten we een nauwkeuriger kijken naar  deze opmerkelijke ontwikkeling.
Tolerantie als wapen in een cultuurstrijdEen derde betekenisverschuiving van tolerantie heb ik eerder al aangeduid als een tolerantie die oorlogszuchtig wordt. Volgens de Amerikaanse politiek filosofe Wendy Brown moeten we weerstand bieden aan de verleiding om de ‘deugd’ van tolerantie in de fantasie los te maken van macht en onderwerping en te associëren met alles wat goed en humaan is. Want dit is precies wat er in bepaalde operaties van een liberaal-imperiale politiek gebeurt: deze politiek kan tolerant zijn jegens ‘diversiteit’ omdat zij zelf als ‘neutraal’ en ‘universeel’ poseert en daarom de scheidsrechter van culturele en religieuze pluraliteit kan zijn. Het conservatisme is op dit punt eerlijker, omdat het erkent dat zijn waarden en loyaliteiten verbonden zijn met de nationale cultuur.
Vandaag, zo luidt Browns kritische observatie, kan tolerantie conflicten depolitiseren, soms zelfs een substituut worden voor rechtvaardigheid, en ten slotte ook bepaalde individuen en groepen als inherent inferieur en ‘intolerant’ labelen en zo dienen als voorwendsel voor (gewelddadige) interventie. 
Zoals we weten was het Geert Wilders die in 2007 de laatste stap zette in deze curieuze gedaanteverandering van de tolerantie in de richting van een wapen in een cultuurstrijd. Zijn partij pleitte vanaf dat moment voor de opschorting van de vrijheid van godsdienst voor moslims in naam van de vrijheid. Dit mag ons absurd in de oren klinken, maar het is niets anders dan de (onder meer uit de Republiek van Weimar bekende) logica van de ‘uitzonderingstoestand’. Bij Wilders is het altijd vijf voor twaalf, en dus zijn er uitzonderlijke maatregelen nodig. In concreto: om de vrijheid als de naam van onze politieke orde te redden (denk aan uitdrukkingen als ‘het vrije Westen’ of de Duitse Freiheitlich Demokratischer Grundordnung) moeten wij bepaalde burgerlijke vrijheden als tijdelijke maatregel opschorten. Exit de godsdienstvrijheid voor moslims. In dit nieuwe discours is intolerantie de morele en politieke plicht van beschaafde mensen en democratische politici. Tolerantie staat dan niet langer in dienst van de morele autonomie zoals bij Mill of zelfs maar de lieve vrede (zoals bij iemand als Spinoza. Zij is nu een wapen geworden in de polemische zelfbevestiging en politieke afgrenzing van onze politieke orde in naam van de ‘wil’ van het volk.
GodsdienstvrijheidEen andere betekenisverschuiving. In haar nieuwe boek over de nieuwe intolerantie jegens religie (vooral de islam in Europa en de Verenigde Staten)  maakt de filosofe Martha Nussbaum zich niet schuldig aan de variant van politieke correctheid die Furedi bekritiseert – het verplichte applaus voor groepsverschillen – maar verdedigt  zij een belangrijke stelling, namelijk dat het van groot belang is ‘dat we de omstandigheden in de wereld zodanig bijschaven dat niet alleen de vrijheid om te geloven beschermd is, maar ook de vrijheid om openlijk van dat geloof blijk te geven en de riten die daarvan deel uitmaken uit te voeren.’ Wie dit onderschrijft heeft nog heel wat te doen, en bepaald niet alleen in Europa of de Verenigde Staten!
Zij demonstreert vervolgens overtuigend dat de zo opgevatte godsdienstvrijheid in de Verenigde Staten beter beschermd is dan in Europa, iets wat deels historisch verklaarbaar is en deels samenhangt met een onderliggende opvatting over wat een politieke gemeenschap is. Veel van de kolonisten die naar de Amerikaanse kolonies trokken hoopten daar godsdienstvrijheid te vinden en niet louter ‘tolerantie’, een begrip dat lange tijd bleef verwijzen naar hiërarchisch georganiseerde samenlevingen en naar meerderheden die minderheden ‘grootmoedig’ hun rechten gunden. En als een rode lijn door haar boek loopt Nussbaums kritiek op de door Europese natiestaten nagestreefde religieuze, etnische of nationale ‘homogeniteit’ die minderheden liever assimileert dan tegemoet komt of ‘accommodeert’ zoals in de Verenigde Staten meestal het geval is.
Zo beoordeelt Nussbaum  het Franse laïcité-stelsel als ‘een non-religie als staatsreligie’(the establishment of non-religion), dus als een soort seculiere religie. Zij wordt hierin deels gesteund door Jean Bauberot, de bezetter van de enige leerstoel over de laïcité in Frankrijk, die de laïcité als een Franse vorm van civil religion beschouwt. Over Amerika’s eigen civil religionzwijgt Nussbaum overigens merkwaardigerwijs in alle talen. Maar is dat niet de Amerikaanse variant van de nationale ‘homogeniteit’? Ik vrees wel dat Nussbaum gelijk heeft waar het gaat over de Europese natiestaten. Deze hebben, in het bijzonder in crisistijden zoals momenteel, de neiging zich te gaan opvatten als een soort ‘gated communities’, maar dan op nationale schaal, waarin de alleen wenst om te gaan met ‘ons soort mensen’ en minderheden gelijke ruimte weigert. Het is ongetwijfeld om die reden dat zij in haar boek pleit voor ‘inlevende verbeelding’, vooral in de wereld en de ervaringen van minderheden.

Theo de Wit is bijzonder hoogleraar Vraagstukken geestelijke verzorging in justitiële inrichtingen aan de Universiteit van Tilburg.
Hij 
maakt deel uit van het W!J-wetenschapsteam dat op Nieuwwij.nl blogt over nieuwe ontwikkelingen op het gebied van culturele en religieuze diversiteit. Bovenstaande tekst is de lezing over tolerantie die Theo de Wit op 16 april in Almere heeft gehouden. 

vrijdag 25 maart 2016

Religieuze en openbare scholen moeten samengaan?

Christelijke scholen zijn niet meer van deze tijd.

Carel Verhoef − 25/03/16, 06:00
© anp. Leerlingen van basisschool De Fontein in Den Haag genieten van hun paasontbijt op school.
OPINIE De samenleving is de laatste halve eeuw sterk veranderd en christelijk onderwijs past er niet meer in, stelt Carel Verhoef. 
Religieuze en openbare scholen moeten samengaan.
  •  
    Het is redelijk om bepaalde 'christelijke privileges' tegen het licht te houden en deze te wijzigen of af te schaffen
In Trouw van 15 maart staat een interview met ChristenUnie-leider Gert-Jan Segers. Daarin geeft hij terecht aan dat de manier waarop een samenleving met minderheden omgaat een lakmoesproef is voor beschaving. Volgens Segers wordt hieraan in liberale kring getornd. "Religieuze mensen moeten een beetje normaal doen met hun eigen scholen en kosjere slacht", aldus Segers. Er zou zelfs sprake zijn van 'paybacktime'; er zou een rekening worden vereffend.

Segers ziet over het hoofd dat het niet gaat om 'een beetje normaal doen' of om paybacktime, maar om zeer principiële zaken. Kritiek op ritueel slachten komt voort uit zorgen over dierenleed. Het gelijkheidsbeginsel (artikel 1 van onze Grondwet) is in het geding bij het niet toelaten van vrouwen tot kerkelijke functies en het ontslaan of niet benoemen van homodocenten door christelijke scholen.

Onze samenleving is de laatste halve eeuw sterk veranderd. Het is redelijk om bepaalde 'christelijke privileges', zoals Segers ze noemt, tegen het licht te houden en, wanneer de maatschappelijke noodzaak zich aandient, deze voorrechten te wijzigen of af te schaffen.
  •  
    Hoe 'deugdelijk' is ons onderwijs wanneer op confessionele bijzondere scholen het creationisme boven de evolutieleer wordt gesteld?
Creationisme
Op het gebied van het onderwijs kan men zich afvragen of de vrijheid van onderwijs (artikel 23 van de grondwet) nog is afgestemd op onze ontzuilde, ontkerkelijkte, geseculariseerde en gesegmenteerde samenleving. Het huidige onderwijsbestel stimuleert de integratie van met name allochtone jongeren niet, het bevordert juist de segregatie. Al in 2007 noemde de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid de segregatie de 'achilleshiel van het onderwijs'. En eind 2015 concludeerde het Sociaal Cultureel Planbureau dat de segregatie zorgwekkend is.

Niet alleen de segregerende werking van artikel 23 moet ter discussie worden gesteld. Artikel 23 spreekt in lid 5 en 6 ook over 'deugdelijk' onderwijs. Hoe 'deugdelijk' is ons onderwijs wanneer op confessionele bijzondere scholen het creationisme of de theorie van Intelligent Design boven de evolutieleer wordt gesteld, of de ouderdom van de aarde op zesduizend jaar wordt berekend?

Scholen behoren tot de publieke ruimte. Krachtens de scheiding van kerk en staat behoort daar geen leerstellig godsdienstonderwijs gegeven te worden. Een door de staat gesubsidieerde school is geen veredelde zondagsschool, koran school, instituut voor transcendente meditatie of instelling voor bijbel studie. Leerstellig godsdienstonderwijs hoort thuis in het gezin, de kerk, de synagoge, de moskee en de tempel.

Ook het christelijk onderwijs is sterk veranderd. Veel christelijke scholen zijn zo 'verwaterd' dat er vrijwel geen verschil meer is met openbaar onderwijs.

Samenvoegen
Onze samenleving vraagt nu om een onderwijsbestel dat de sociale cohesie en integratie bevordert en de kloof tussen kansarme en kansrijke leerlingen verkleint. Dat vereist een structurele verandering. Ik pleit voor het samenvoegen van openbaar en confessioneel bijzonder onderwijs tot gemengde scholen. Daar krijgen jongeren van elke culturele, etnische, sociale en religieuze achtergrond dan gezamenlijk hun opleiding en vorming. Daar wordt hen respect, tolerantie en wederzijds begrip bijgebracht.

We hebben een onderwijsbestel nodig dat boven alle verschillen uitstijgt en zoekt naar wat ons allen bindt. Waar niet het beperkte groepsbelang van een geloofsgemeenschap prevaleert, maar het belang van de samenleving. Samenleven en integratie beginnen bij gezamenlijk onderwijs. De maatschappelijke noodzaak dwingt ons het 'christelijk privilege' van de vrijheid van onderwijs in te perken. Niet bij wijze van 'payback' of om 'een beetje normaal te doen', maar omdat onze samenleving dat eist.

Carel Verhoef is auteur van 'Inperking vrijheid van onderwijs. De maatschappelijke noodzaak tot herziening van artikel 23 van de grondwet'.

woensdag 17 februari 2016

Moet de staat zich bemoeien met de moraal van de burgers?

Moet de staat zich bemoeien met de moraal van zijn burgers?

Ger Groot − 09/02/16, 13:37
© anp. 'Nog maar een paar jaar geleden koketteerde Eurocommissaris Neelie Kroes (foto) met quota voor vrouwen aan de top.'
COLUMN Je kunt er de klok op gelijkzetten. Ergens in het publieke debat wordt een misstand of onwenselijkheid ontdekt, en prompt roept iemand dat de overheid met dwingende maatregelen moet komen. Zaterdag was het opnieuw raak. 'Ook in Nederlandse filmwereld ontbreekt kleur', constateerde deze krant - nadat in de VS reuring was ontstaan over te 'witte' Oscars. Nee, liever geen quotum, zo reageerden de meeste geïnterviewden. Maar de acteur Raymi Sambo bleek die fase voorbij. 'Ik geloof dat het van bovenaf opgelegd moet worden', zei hij.
  •  
    Zodra de staat dat meent zelf het beste te weten, gaat hij morele voorschriften opleggen
Dat geloof in de macht van de overheid is prijzenswaardig, maar misschien wat té goedbedoeld. Want waar wetten en geboden van hogerhand de burger trachten op te voeden, blijken ze gewoonlijk glorieus te falen. Mensen houden niet van dwang en plegen zich er balsturig tegen te verzetten. De goede zaak krijgt er van de weeromstuit een onaangenaam imago door, en dan ben je nog verder van huis.

Vrijheid is een prachtig politiek ideaal, betoogde de Russisch-Britse filosoof Isaiah Berlin al een halve eeuw geleden. Maar een staat moet het aan de burgers zelf overlaten hoe zij daaraan vorm willen geven. Zodra de staat dat meent zelf het beste te weten, gaat hij morele voorschriften opleggen, en voor je het weet ben je van een vrije samenleving beland in wat Hans Goslinga diezelfde zaterdag een 'surveillancestaat' noemde. Want op de naleving van al dat verplicht gestelde moois moet wel toezicht worden gehouden en hardnekkig onwilligen moeten worden gestraft.

Positieve vrijheid
Goslinga dacht daarbij vooral aan de roep om recht en orde op de rechterflank van het politieke spectrum. Maar links heeft zich van oudsher nog veel actiever betoond in haar verlangen naar 'positieve vrijheid'. De samenleving moest anders, en men had haast. De dwang van de staatsmacht bleek een verleidelijk middel om het ideaal per decreet te kunnen invoeren.

Links en rechts geven elkaar inmiddels weinig meer toe. Nog maar een paar jaar geleden koketteerde Eurocommissaris Neelie Kroes met quota voor vrouwen aan de top. De liberale politica bleek plots niet vies van bijna bolsjewistische staatsinmenging, want ook zij had haast. Het voorzitterschap van de EU lonkte - tevergeefs. Sindsdien is mevrouw Kroes weer een stuk minder bolsjewistisch.
  •  
    Wie werkelijk iets wil veranderen, moet zijn haast weten te beheersen
Misschien moet de staat zich niet al te veel met de moraal van zijn burgers bemoeien. Criminaliteit moet hij bestrijden: daar heeft hij zijn wetten voor. Maar burgers hebben zich in hun sociaal contract niet onder zijn geweldsmonopolie geplaatst om in hun private en maatschappelijk leven door hem te worden betutteld - met datzelfde geweldsmonopolie als stok achter de deur.

Zelfbedrog
De daadkracht die de staat daaraan ontleent is bovendien nogal bedrieglijk. Een boef zet je relatief gemakkelijk achter de tralies, maar van een samenleving verander je een stuk minder eenvoudig de mores en vanzelfsprekendheden. Daar verlopen de ontwikkelingen traag en de bruuske machtsmiddelen van de staat glijden daar gemakkelijk op af. Resultaten op korte termijn berusten grotendeels op zelfbedrog. Wie werkelijk iets wil veranderen, moet zijn haast weten te beheersen.

Dat is geen aangename wetenschap voor een tijd die instant-oplossingen eist. Ongeduld is misschien de voornaamste ondeugd van de moderniteit, die daarin al zo vaak is teleurgesteld zonder er veel van te leren. 'Verkroppen' noemde de filosoof Heidegger de knarsetandende bescheidenheid die zij zich node eigen zou moeten maken. Geen wanhoop, maar vertrouwen dat het op de lange duur wel goed komt. Dat zou pas een echte omwenteling zijn.

donderdag 11 februari 2016

onder ongelovigen

De film "Onder ongelovigen" is te vinden op het volgende adres:



http://www.human.nl/onder-ongelovigen.html


Zeer de moeite van het bekijken waard.

dinsdag 2 februari 2016

Zorgelijke ontwikkeling .......

Hoe de straat steeds verder de klas binnendringt

Wilfred van de Poll − 02/02/16, 10:50
© Censuur.
Onderzoek voor het ministerie laat zien dat zowel de allochtone als de autochtone student radicaliseert. Zorgelijk, maar, zo nuanceert Margalith Kleijwegt: 'Ik zoom in op waar het schuurt'.
  •  
    Terwijl allochtone studenten het idee hebben dat ze worden achtergesteld en gediscrimineerd, voelen autochtone studenten zich bedreigd
Aylan Kurdi is niet dood. De foto van het verdronken Syrische peutertje was nep, om het Westen medelijden te laten krijgen voor vluchtelingen.

Charlie Hebdo? Dat waren geen moslims. Zionisten zaten achter de aanslag, om islamofobie aan te wakkeren.

Beide complottheorieën hoorde journaliste Margalith Kleijwegt het afgelopen jaar veelvuldig. In opdracht van het ministerie van onderwijs en cultuur bezocht ze vmbo's, mbo's en hbo's in alle hoeken van het land, van Amsterdam tot Hengelo en van Huizen tot Den Haag. Veel 'witte' leerlingen geloofden niet dat Aylan dood was. En veel 'zwarte' leerlingen weigerden de officiële versie over Charlie Hebdo voor waar aan te nemen.

Twee werelden
Beide kanten radicaliseren volgens Kleijwegt. 'Terwijl allochtone studenten het idee hebben dat ze worden achtergesteld en gediscrimineerd, voelen autochtone studenten zich bedreigd en vragen ze zich angstig af hoe dat straks moet als ze, zoals zij zeggen, in de minderheid zijn', schrijft ze in haar rapport 'Twee werelden, twee werkelijkheden'. Ze overhandigde het gisteren aan minster Jet Bussemaker. Die vroeg Kleijwegt - bekend om boeken waarin ze leerlingen met een migrantenachtergrond portretteert - in beeld te brengen hoe gevoelige maatschappelijke kwesties de klas binnen komen.

Om dat te onderzoeken bezocht Kleijwegt zeventien zwarte, witte en gemengde scholen, waarvan ze kon vermoeden dat er dingen speelden. Ze woonde lessen bij en sprak met directeuren, docenten en studenten. Haar voornaamste conclusie is dat tegenstellingen groter worden. Tussen leerlingen onderling, en tussen leerlingen en docenten. De straat dringt verder het klaslokaal in. Ze heeft het over een toename van 'grove omgangsvormen, gebrek aan zelfreflectie en empathie'.

Positief vond ze dat veel thema's in de klas 'heel bespreekbaar' zijn. In het verleden zag ze dat minder. Toch beperkte het contact tussen autochtonen en allochtonen zich vaak tot het 'hoognodige', vertelt ze aan de telefoon. "Ik heb meegemaakt dat PVV-stemmers en gelovige moslims van wie sommigen naar Mekka waren geweest, letterlijk aan beide kanten van de klas zaten. Ze waren maar matig in elkaar geïnteresseerd. Ze co-existeerden."
  •  
    Directeuren en docenten hebben al genoeg andere dingen op hun bordje, aandacht voor burgerschap schiet er dan soms bij in
  • © Margalith Kleijwegt.
Vervreemd
Een trend die haar op 'witte' scholen opviel, was een groeiende aversie tegen asielzoekers en allochtonen onder hun leerlingen. "Bijna angstaanjagend", vond een docent van een mbo in Leiden dat. Kleijwegt: "Het was een jaar waarin er veel gebeurde. Charlie Hebdo, de vluchtelingenstroom. Dat zag je terug in de klas. Mensen die tegen vreemdelingen protesteren, hebben ook schoolgaande kinderen. Met welke denkbeelden over de ander gaan die het klaslokaal in?"

Op 'zwarte' scholen merkte ze dat moslimjongeren zich vervreemd voelen van Nederland. 'Een gevoel van krenking ligt voortdurend op de loer', schrijft Kleijwegt. Al dan niet terecht. Sommigen zeiden later in een islamitisch land te willen wonen. Docenten zagen een toename van strenggelovige leerlingen. Die docenten soms op het rechte pad proberen te brengen. 'Juf, we zien uw vormen!'

'Klopt', antwoordde die juf snedig. 'Daar zit ik vijf keer per week voor in de sportschool.'

Sociale media
Niet iedere docent is zo onverstoorbaar. Velen voelen zich machteloos. 'Niemand houdt ze tegen, de wijkagent niet, de moskee niet', citeert Kleijwegt een schooldirecteur in Den Haag. 'Het probleem is juist dat niemand greep op ze heeft. De invloed van sociale media bij deze jongeren is gigantisch, die strijd hebben we allang verloren.'

Andere docenten toonden zich optimistischer. Maar ook zij leken zich vaak geen raad te weten met radicaliserende leerlingen. Kleijwegt hoorde van ronselaars en van kinderen die opeens verdwenen. Een leerling werd gearresteerd en ging drie jaar de bak in voor ronselen - de leraren waren 'verbijsterd'. Ze hadden het nooit achter hem gezocht.

Kleijwegt wil ervoor waken een té grimmig beeld te schetsen. "Dat zou geen recht doen aan de werkelijkheid. Die is nu eenmaal ingewikkeld en genuanceerd. Ik zag ook plekken waar het goed ging. Waar leerlingen tijdens lessen filosofie en socratische gesprekken kritisch leerden nadenken. Beargumenteren wat ze vinden. Dat bleek enórm goed te werken. Oók op vmbo-niveau."

Gepolariseerd beeld
Bovendien, zeg ze, heeft ze vooral die scholen bezocht waarvan ze wist dat er problemen waren. "Op andere scholen zal het zeker minder heftig zijn. Ik zoom in op waar het schuurt, maar zelfs daar zag ik ook veel leerlingen die niet pasten in dit gepolariseerde beeld. Dat benoem ik ook in mijn rapport. Jongeren die het opbrachten om door te knokken, ook al waren ze afgewezen bij een stage. Ze kregen vaak goed hulp van docenten en mentor."

Scholen die een duidelijke visie hadden, docenten actief ondersteunden en hen voorhielden vooral de discussie aan te blijven gaan deden het beter dan de andere, zag ze. Die meeste scholen die ze bezocht, hadden zo'n duidelijk visie niet. "Ik snap dat wel. Directeuren en docenten hebben al genoeg andere dingen op hun bordje, aandacht voor burgerschap schiet er dan soms bij in", zegt Kleijwegt. "Toch is die aandacht nodig. Met één lesuurtje burgerschap per week kom je er niet."