zondag 6 december 2015

Dossiers uit het blad Filosofie

De moeite waard om eens aan te klikken:
https://www.filosofie.nl/dossiers/index.html



woensdag 18 november 2015

Filosofen aan het woord over de angst.

Vijf filosofen aan het woord over de angst

Leonie Breebaart − 17/11/15, 22:26
© afp. Paniek onder rouwenden bij het Carillon Hotel in Parijs, zondag.
'Keep calm and carry on.' Zo luidde de aloude Britse reactie nadat in 2005 vier bommen waren ontploft in Londen. Kalmte is een mooi ideaal, maar makkelijk uit te voeren is ze niet. De angst voor een aanslag, op het terras, op het station, is met de aanslagen in Parijs onvermijdelijk toegenomen, en die uit zich meestal als angst voor het vreemde, de moslim, vaak ook de vluchteling. Welke ideeën kunnen ons helpen om de angst te begrijpen? En daardoor misschien ook te beteugelen? Vijf eyeopeners van moderne denkers op een rij.

Martha Nussbaum: Zet in op vaderlandsliefde

  •  
    Laat zien, draag uit, dat ook moslims in hun hart zijn getroffen
Franse moslims houden net zo goed van Frankrijk en hebben recht op erkenning van hun vaderlandsliefde. Dat zou de angstwerende oplossing zijn van de Amerikaanse filosofe Martha Nussbaum. Vaderlandsliefde is in Europa een beladen begrip, en de hevige emoties die daaraan vastkleven, zijn dat zeker.

Maar volgens Nussbaum hoeft patriottisme minderheden helemaal niet buiten te sluiten. Als je maar zorgt dat de nationale symbolen die je kiest ze ínsluiten. In de VS lukt dat soms: het grote Vietnam-monument in Washington is een mooi voorbeeld. Doordat daarin alle namen van gesneuvelden in steen zijn gekrast, voelt iedere Amerikaan, van welke kleur of achtergrond dan ook, zich daarbij betrokken.

Zo'n monument, zo'n soort symbool, zou in Frankrijk ook uitstekend kunnen werken. Laat zien, draag uit, dat ook moslims in hun hart zijn getroffen. De waarden van de Franse Revolutie - vrijheid, gelijkheid en broederschap - bieden ruimte voor een patriottisme dat ook moslims ínsluit. Maar dan moeten de 'autochtonen' hen wel als echte Fransen willen zien.

Nassim Nicholas Taleb: Durf kwetsbaar te zijn

  • © Flickr/Agathe.
    Nassim Nicholas Taleb
Toen Geert Mak na de moord op Theo van Gogh in 2004 schreef dat een vrije samenleving is 'gedoemd tot kwetsbaarheid' kreeg hij gemengde reacties. Maar de Libanees-Amerikaanse denker Nassim Nicholas Taleb zegt het hem na. Dat wil zeggen, hij vindt dat de controledwang die na een aanslag de meest adequate reactie lijkt, contraproductief kan werken. Dat idee heeft hij uitgewerkt in bestsellers als 'De zwarte zwaan' (2006) en 'Antifragiel' (2012).

De belangrijkste gedachte is dat de behoefte chaos te voorkomen, tot meer chaos leidt. Een typisch voorbeeld is volgens Taleb het Amerikaanse buitenlandbeleid: uit angst voor 'chaos' steunden de VS corrupte regimes in het Midden-Oosten. Maar juist door die krampachtige angst voor het onverwachte en het veranderlijke, liep de situatie in bijvoorbeeld Egypte echt uit de hand. Ook in het dagelijks leven kan 'anti-fragiel' denken ons helpen niet in een angstkramp terecht te komen.

Denk niet dat je alle situaties kunt beheersen, adviseert Taleb, leer leven met het onverwachte. Want als je uit angst voor bomaanslagen alleen nog maar binnen blijft zitten, ontgaan je alle mooie verrassingen van het leven. Neem een voorbeeld aan de flaneur, die zonder angst door de stad dwaalt en altijd openstaat voor nieuwe verrassingen.

Chantal Mouffe: Wees niet bang voor polarisatie

  •  
    De gedachte dat democratie is gebaseerd op het bijleggen van meningsverschillen is volgens Mouffe ronduit gevaarlijk
Terrorisme en populisme zijn volgens de Franse filosofe Chantal Mouffe het gevolg van een onderdrukt conflict. Liberale democratieën ontkennen dat er in de politiek altijd een moment komt dat iemand de knoop moet doorhakken, maar dat daarmee onderlinge meningsverschillen niet opeens verdampen.

De gedachte dat democratie is gebaseerd op het bijleggen van meningsverschillen is volgens Mouffe ronduit gevaarlijk. Er blijven altijd 'onredelijke en emotionele standpunten' over, waarover je het niet eens bent geworden.

Neem bijvoorbeeld ritueel slachten of de vraag of we vluchtelingen eigenlijk niet bij de grens moeten tegenhouden. Zelfs als daarover een besluit moet vallen, is het belangrijk te beseffen dat er altijd burgers blijven die zich dan ongehoord voelen.

Rechts populisme is geen alternatief, vindt Mouffe, omdat zulke partijen een hele groep mensen, moslims bijvoorbeeld, een politieke stem onthouden. Terwijl hun stem ook gehoord moet worden - net zo goed als de stem van de kiezers die nu PVV stemmen. Polarisatie op zich - een stevige links-rechts-tegenstelling bijvoorbeeld - is niets om bang voor te zijn. De democratie kan niet zonder.

Frank Furedi: Hou eens op over angst

  •  
    De cultuur waarin we leven bepaalt welke vorm van angst 'normaal' lijkt
Als je in Nederland wordt overvallen door een blanke man, word je meestal niet vanzelf bang voor álle blanke mannen. Maar als een zwarte man je overvalt, werkt dat meestal wel zo, vooral als je zelf weinig zwarte mensen kent. Die reactie laat volgens de Hongaars-Britse socioloog Frank Furedi zien dat nare gebeurtenissen niet vanzélf angst oproepen.

De cultuur waarin we leven bepaalt welke vorm van angst 'normaal' lijkt. En dat verschilt van cultuur tot cultuur. Als je in Nigeria wordt overvallen door een zwarte man, wijt je dat minder snel aan zijn huidskleur. Het vervelende is volgens Furedi dat angst zo'n geliefd thema is geworden in de Europese samenleving. "Angst wordt nu gezien als een groter probleem dan de misdaad zelf." En dus is de ene politicus (vaak een linkse) bezig de angst te bestrijden (en te bagatelliseren) en de ander (vaak een rechtse) hem aan te wakkeren.

Beiden versterken zo de gedachte dat burger en democratie 'kwetsbaar zijn'. Daardoor verdwijnen ons zelfvertrouwen en vertrouwen in veiligheid uit zicht. Furedi heeft die analyse toegepast op over-angstige ouders, maar hij gaat volgens hem ook op voor de samenleving als geheel.

Jean-Luc Nancy: Zie het vreemde in jezelf

Toen de Franse filosoof Jean-Luc Nancy in 1990 een harttransplantatie onderging, verzette zijn immuunsysteem zich hevig tegen deze indringer. Zijn lichaam begreep niet dat het vreemde hart zijn leven juist zou redden. Dat afweermechanisme vergelijkt Nancy in 'De indringer' met een samenleving die het vreemde probeert af te weren, zoals bij een overdreven angst voor vluchtelingen of moslims.

Die reactie lijkt natuurlijk: wat van buiten komt is gevaarlijk, of tenminste een beetje eng, omdat we het niet kennen. Maar zodra je probeert te begrijpen wát er anders is aan de buitenstaander, sta je al snel met lege handen. Een actueel voorbeeld: moslims worden vaak gezien als 'geloviger', maar zijn er in Nederland dan geen behoudende gelovigen? Of: moslims doen aan ritueel slachten. Maar dat deden Joden toch ook al?

Het gaat Nancy niet om zulke specifieke vergelijkingen, hij wijst er alleen op dat de vreemde ons confronteert met het vreemde in onze eigen samenleving. En dat is niet altijd een prettige denkoefening. We ontdekken dat wijzelf ook rare dingen doen of vinden. Met ons lichaam werkt dat net zo, want ook daar komt de dreiging niet alleen van buiten: kankercellen worden door ons eigen lichaam aangemaakt. Het vreemde zit van binnen.

maandag 9 november 2015

Maria Fourier over tolerantie

Een aanrader:
http://www.mariafoerier.nl/gelijke-behandeling

Tolerantie is niet neutraal


Tolerantie is niet meer neutraal

door Bart Top  

Nederland kent voor het eerst in zijn geschiedenis een meerderheidscultuur, die kan worden gekenschetst als liberaal, seculier en blank. Dat verklaart volgens James Kennedy, hoogleraar Nieuwste Geschiedenis aan de Vrije Universiteit in Amsterdam, waarom er minder verdraagzaamheid bestaat tegenover minderheidsgroepen.

U onderscheidt vormen van tolerantie. Kunt u dat toelichten?

De eerste vraag is: tolerant tegenover wie of wat? Tien jaar geleden scoorden Nederlanders hoog op tolerantie van afwijkend gedrag, lifestyle. Het accepteren van mensen met een andere etnische achtergrond zat op het Europese gemiddelde. Nederland scoorde samen met de Duitsers laag bij het tolereren van politiek extremisme.

Ik maak nog een onderscheid. Er is tolerantie als modus vivendi, als het dulden van meningen van andersdenkenden. Daarnaast is er tolerantie als ideologie, waarbij de dominante meerderheid gaat bepalen wat de inhoud van tolerantie is en degenen die niet meedoen als intolerant gelden en geen deel uitmaken van de gewenste tolerante gemeenschap.

In Nederland was traditioneel tolerantie een modus vivendi tussen minderheden, maar dat is veranderd.

Tot 1960 paste tolerantie in een verzuild model. Daarbinnen was het míjn verantwoordelijkheid als fatsoenlijk mens om anderen niet te kwetsen. Vanaf de jaren zestig kreeg juist de spreker een vrijbrief en moest de toehoorder tolerant zijn voor kwetsende uitspraken. Vrijheid en tolerantie worden dominante begrippen en bekrompenheid en intolerantie moeten het ontgelden. Tolerantie krijgt een militante vorm en wordt iets wat ánderen moeten leren. Komen in die jaren tolerantie en godsdienstvrijheid al met elkaar in conflict?

Godsdienst krijgt een intolerante naam en moet bewijzen dat zij niet bekrompen, intolerant en rigide is. Dat minister Verdonk van moslims eist dat zij kritiek moeten leren incasseren, past bij dat patroon.

Er blijft dan wel tolerantie over: het bestaansrecht van religieuze groepen wordt niet aangetast.

Natuurlijk hoopte men in de politiek, dat de kerken en christelijke partijen allemaal zouden ontploffen. Maar de bescherming en de rechten van minderheden bleven overeind.

Er kwam een ideologische vorm van tolerantie op, zonder dat de bestaande modus vivendi helemaal verbroken werd. Dat geldt tot op de dag van vandaag. Ik denk dat er in Nederland een sterke traditie bestaat van respect voor minderheden, die niet zo gebruikelijk is in andere landen. Het is een levende traditie die wel zwaar onder vuur ligt. Er is voor het eerst een liberale, seculiere, blanke meerderheidscult u u r. Past de discussie over de Nederlandse identiteit in die ontwikkeling?

Ja, men ziet die discussie vaak als een reactie op het feit dat de nieuwe minderheden die identiteit zouden bedreigen. Maar de behoefte aan een sterke identiteit komt vooral voort uit het gegeven dat het voor de eerste keer in lange tijd überhaupt denkbaar is, dat er een meerderheid van Nederlanders achter een dergelijke identiteit, een gezamenlijke cultuur zou kunnen en willen schuilen. Door de verzuiling was dat eerder ondenkbaar.

Een effect van die liberale, seculiere, blanke meerderheid is dat de waarde van godsdienstvrijheid niet meteen wordt gezien. Hoewel die de laatste drie eeuwen als een kernbegrip gold van een vrije samenleving. Nu worden er vragen bij gesteld, zoals door de VVD, die artikel 1 van de grondwet boven alle andere artikelen wil stellen. Dat is een breuk met drie eeuwen vrijheidstraditie, want de hele moderne orde is op godsdienstvrijheid gebaseerd, op de vrijheid van minderheden om hun geweten te volgen zonder dwang van de staat.

Heeft u een verklaring voor die snelle omslag?

Kenmerkend voor Nederland is de dominante kijk op dingen, zoals vrijheid van onderwijs. Daarover bestond lang consensus zonder dat het model ooit echt uitgedaagd is. Dan ontstaat er een crisis, de angst voor de islam, 9/11, en worden problemen zichtbaar. Je krijgt een massale bekering waarin al die problemen die onbespreekbaar waren, centraal komen te staan en de consensus er niet meer toe lijkt te doen. Het patroon is: eerst niet ontvankelijk voor kritiek, een plotselinge crisis en dan ómgaan. In een land dat minder consensusgericht is, wordt dit debat vaak eerder gevoerd.

In 2000 schreef u: 'Gelukkig is de meerderheidscultuur heel tolerant.' Zou u dat nog zo opschrijven?

Ik kom uit de VS, waar meerderheden ontzettend dwingend kunnen zijn, the winner takes it all. Ik denk niet dat het in Nederland die vormen heeft aangenomen. Maar de tolerantie neemt af. Dat zie je aan het debat over de islam. Het is een verontrustende vorm van meerderheidsdenken, die zichzelf verlicht en bevrijd acht en zich opstelt tegenover een minderheid die dat niet zou zijn. Dat is in de eerste plaats slecht voor die minderheid. Het tweede probleem is dat er nauwelijks zelfreflectie plaatsvindt bij de meerderheid.

U vindt dat na de moord op Van Gogh Nederland de kluts kwijt is en in een identiteitscrisis verkeert.

De laatste jaren bestaat de neiging een nieuwe mono-identiteit op te bouwen. Een ongelukkige tendens, omdat mensen meerdere identiteiten hebben. Als je een robuuste definitie van Nederlanderschap wilt, is het in je eigen belang om die identiteit flexibel te maken, zodat andere identiteiten daar onderdeel van kunnen zijn. Het is prima meer aandacht te besteden aan identiteit, meer nadruk op goed burgerschap naar nationale snit, op Nederlandse geschiedenis. Maar dan wél op een brede, inclusieve manier die ook andere identiteiten als bouwsteen ziet. Is er een breuk met de verzuilingsgedachte? Ja, zelfs als je meer ruimte geeft voor verscheidenheid binnen die Nederlandse identiteit. Want die nieuwe identiteiten zullen nooit zo robuust en uitgebouwd zijn als tijdens de verzuiling. Wat het betekent om een moslim-Nederlander te zijn in 2010 zal nooit parallel lopen met wat het Nederlander-zijn voor een katholiek in 1950 inhield.

De omstandigheden zijn veranderd en die moslim zal meer onderdeel worden van de gedeelde samenleving dan destijds de katholiek. Ondanks zichtbare verschillen zoals het hoofddoekje. Naar mijn mening zou je hoofddoekjes en zelfs burka's moeten tolereren.

Maar in Nederland wordt deze levensstijl niet meer als onschuldig gezien, maar als een bedreiging. Daaruit blijkt dat tolerantie de publieke orde als uitgangspunt neemt.

Als tolerantie de orde dient door conflicten te vermijden en afwijkende meningen te dulden, dan ben je wel tolerant. Maar zodra Nederlanders ervan overtuigd zijn dat afwijkend gedrag een bedreiging kan vormen voor de openbare orde, is het gedaan met het tolereren. Tolerantie is hier geen onveranderlijke ethische norm. En als ze de sociale cohesie en vreedzame openbare orde niet langer bevordert, dan heeft ze nauwelijks bestaansrecht meer.

maandag 26 oktober 2015

Je zou het van moralisme bijna barstende Nederland wat ontspanning wensen

Ger Groot − 25/10/15, 22:52
© Flickr/Orse.
Ergens in een verdwaalde krant lees ik dat de Noorse televisie in 2003 een acht uur durende uitzending maakte van de treinreis Oslo-Bergen, gezien vanuit de cabine van de machinist. 'Slow'-televisie voor gehaaste en gestresste mensen - en tegelijk iets wat zich goed met een land als Noorwegen associëren laat. Je ziet er vanzelf kalme houthakkerstypen bij, in een land van ruisende bossen met een schoon milieu.
Geen wonder dat zo'n uitzending goed viel in een land dat wel modern is maar het contact met 'slow nature' nog niet helemaal is kwijtgeraakt.

Die laatste conclusie werd in het stuk niet expliciet getrokken. Ik dacht haar er onwillekeurig bij. Maar bijna op hetzelfde moment kwam mijn herinnering de vanzelfsprekendheid verstoren. Want dergelijke uitzendingen waren in 2003 bepaald niet nieuw. Ik moet ze - denk ik - al in de jaren '80 hebben gezien. Op de Nederlandse televisie werden ze uitgezonden in de nachtelijke uren. En ook zij waren een, zij het kortstondig, succes.

Eén ding doorkruiste mijn logica echter gevoelig. De gefilmde treinreizen uit die jaren kwamen helemaal niet uit Noorwegen. Aanvankelijk lieten ze voornamelijk schilderachtige tochtjes zien door het Zwitserse of Duitse hooggebergte. Later verdween zelfs dat natuurschoon en toonden ze banale plattelands- of zelfs industriestreken. Een paar uur met een boemetje van, pak weg, Duisburg naar Osnabrück. Rustgevend was het wel.
  •  
    Hoe minder we weten van een land, des te sneller beschouwen we de eerste de beste indruk als kenmerkend.
Idealistische filosofen
Maar zou ik daaruit moeten concluderen dat Duitsers dus kennelijk net zo'n rustieke hang naar kalmte en bespiegeling zouden hebben als de Noren? Idealistische filosofen, waarvan dat land er altijd veel heeft gehad, zouden het waarschijnlijk graag denken. Maar één blik op het Ruhrgebied of het zakencentrum van Frankfurt verjaagt die droom. En dus vind ik dat soort filmpjes automatisch een stuk minder typerend voor Duitsland dan voor Noorwegen, dat ik alleen maar ken van bosrijke posters in reisbureaus.

Hoe minder we weten van een land, des te sneller beschouwen we de eerste de beste indruk als kenmerkend. Bij mensen gaat dat precies zo. Wanneer ik als part-time allochtoon in Spanje ben, staat alles wat ik doe automatisch in het licht van mijn Nederlanderschap. Ben ik stipt op tijd bij een afspraak, dan is dat een teken van mijn noordelijke precisie. Ga ik boodschappen doen met een meegenomen tas, dan ben ik een milieubewuste Nederlander. Ga ik vroeger naar bed dan de nachtbrakende Spanjaard, dan wreekt zich mijn calvinistische inborst.
Calvinist
Niets maakt het uit wanneer ik zeg helemaal geen calvinist te zijn, dat Nederlanders niet zo vreselijk stipt zijn, en trouwens ook niet zo milieubewust. Na jaren van tegenspraak heb ik me er maar bij neergelegd dat er in weerwil van mijn uitgesproken feminisme-scepsis nog altijd een waas van vrouwvriendelijke progressiviteit om mij hangt.

Wanneer ik in eigen land kranten en columnisten lees, hoor ik over dat soort mechanismen veel ophef, verontwaardiging en protest opklinken. Racisme, xenofobie, sexisme: het kan allemaal niet op - ook al zijn de aanstootgevende symptomen in hun alledaagsheid nauwelijk het vermelden waard. Vreemd genoeg maakt die alledaagsheid ze juist tot een wereldprobleem. Want je zult er maar op elk moment van de dag mee geconfronteerd worden. Tja, dat is zo - daar kan ik van meepraten.
  •  
    Je zou het van moralisme bijna barstende Nederland graag wat meer gevoel voor betrekkelijkheid en ontspanning toewensen.
Generalisaties
Maar laten we de zaken niet erger maken dan ze zijn. De meeste van die generalisaties en snelle oordelen zijn simpelweg de producten van de manier waarop onze geest werkt. Dat geld voor die van mij - die Noren stereotypeert en zich tegelijkertijd zelf Nederlands gestereotypeerd ziet worden, net zo goed als voor die van de ophefmaker die achter elke 'vanzelfsprekendheid' de schaduw ziet van de racist, de sexist, enzovoort.

Ja, die laatsten bestaan. Maar ze zijn zeldzamer dan de verontwaardigingsdrang die ze zo graag op heterdaad zou betrappen veelal denkt. Van de weeromstuit ziet hij daardoor overal wandaden en kwaadaardigheid. En maakt zich zo - ironisch genoeg - zelf schuldig aan wat hij aanklaagt door elke toevalligheid met een boze vinger na te wijzen.

Je zou het van moralisme bijna barstende Nederland graag wat meer gevoel voor betrekkelijkheid en ontspanning toewensen. Misschien zou een rustgevende treinreis op de slow-tv helpen. Niet Noors of Duits, maar gewoon van Zwolle naar Leeuwarden, liefst met de nodige vertragingen. Hoe langer hij duurt, des te leger en kalmer het in het hoofd wordt. Daar kan de NS vast wel voor zorgen.

zaterdag 17 oktober 2015

Twijfel

Het voordeel van de twijfel

Leonie Breebaart − 15/10/15, 10:37
© Jenna Arts.
Scepsis is eindexamenonderwerp van het vak filosofie. Tot dat eindexamen, mei volgend jaar, stellen Nederlandse denkers daarom bij tal van onderwerpen de vraag: Hoe weet je dat eigenlijk? Een serie over het voordeel van de twijfel.
  • Voorafgaand aan het eindexamen vwo, dat mei volgend jaar begint, publiceert Trouw vanaf vandaag elke twee weken een aflevering van de serie 'Hoe weet je dat eigenlijk?'. Die vraag leggen we steeds een andere filosoof voor. Daarbij komen de volgende terreinen aan bod: gezondheidszorg, kunst, media, politiek, liefde en seks, techniek, natuur, wetenschap, religie, economie, en identiteit.

    In de eerstvolgende aflevering van donderdag 29 oktober legt Ton Derksen uit waarom de Nederlandse rechtspraak zijn sceptische vragen nodig heeft: "Politiemensen en juristen maken elementaire denkfouten die hun brein hen automatisch meegeeft." Door zulke denkfouten zit de Turkse zakenman Hüseyin Baybasin, die in 2002 tot levenslang werd veroordeeld, onschuldig vast, zegt Derksen.
Opinies, beweringen, pleidooien: we horen en lezen er dagelijks een heleboel, en lang niet alleen in de krant. Over handelsmissies bijvoorbeeld, over de aankoop van twee Rembrandts of over ruziënde gelovigen.

Als moderne burgers willen we graag meepraten over kwesties die het nieuws halen. Maar het vervelende is, dat de vragen die we eerst beantwoord zouden willen zien om te kunnen meedenken vaak helemaal niet aan bod komen. Hoe weet je wat kunst is? Moet de economie altijd maar doorgroeien? Is het wel gezond om bezig te zijn met je gezondheid? Hoe weet je dat God bestaat?

Zulke vragen klinken misschien kinderlijk, of zelfs een beetje dom, maar als we er nooit bij stilstaan, verliezen we gemakkelijk onze interesse in het debat. Het lijkt dan alsof 'iedereen maar wat roept' of juist dat 'elke mening respect verdient'.

Deugd
Toch valt er over al die botsende meningen best iets te zeggen: ze kunnen goed of juist slecht onderbouwd zijn. Vaak is er niet lang nagedacht over de 'domme vraag' die zogenaamd vanzelf spreekt en die daarom door niemand meer wordt gesteld. Om die naar boven te halen zouden we vaker kunnen vragen: 'Hoe weet je dat eigenlijk?' Anders gezegd: durven twijfelen.

Twijfelen is een deugd, want het leidt ertoe dat we even stilstaan voor we naar het antwoord rennen. Het is ook een deugd die training vraagt, en nergens wordt voor die training zo consequent de tijd genomen als in het filosofieonderwijs. Stilstaan, vragen stellen, nadenken, argumenteren: dat leert een scholier die voor dat vak heeft gekozen.

Met ingang van dit schooljaar worden middelbare scholieren nog extra gekneed in die kunst, want het eindexamenonderwerp in het filosofieonderwijs is de komende jaren: 'scepsis', aan de hand van het leerboek 'Het voordeel van de twijfel' van Tim De Mey.

Trouw sluit tot dat eindexamen aan bij het thema 'scepsis' met een reeks artikelen, die de kunst van het twijfelen demonstreren aan de hand van actuele onderwerpen. Daarbij komen heel verschillende terreinen aan bod: van de rechtspraak tot liefde en seks en van techniek tot het godsgeloof. Op al die gebieden zullen Nederlandse filosofen hun sceptische vragen afvuren: 'Hoe weet je dat techniek ons vooruithelpt?' En: 'Hoe weet je wat echte liefde is?'
  •  
    De filosoof prikt net zo lang in het rotte hout van onze zekerheden tot hele verdiepingen naar beneden komen
Radicale scepsis
Over het nut van scepsis zullen filosofen niet snel twijfelen: die is de motor van de wijsbegeerte. De markantste filosofen uit de Europese geschiedenis, zoals Socrates, René Descartes en Immanuel Kant, danken hun roem aan de radicale scepsis waarmee ze ideeën onderuithaalden waarop eeuwenlang braaf was voortgebouwd.

Socrates stelde jonge Atheense mannen zulke scherpe vragen dat ze wel moesten toegeven dat hun ideeën op drijfzand stonden. Descartes ondervroeg zichzelf zó kritisch, dat hij ten slotte nog maar één zekerheid overhield: er moest iemand zijn die dacht wat hij dacht, namelijk hijzelf - het 'cogito ergo sum'. En Kant bekende ruiterlijk dat filosofen na eeuwenlang denkwerk nog steeds niet hebben bewezen dat er buiten ons denken überhaupt een andere wereld en andere denkende wezens bestaan. Dat noemde hij 'het schandaal van de filosofie'.

De filosoof prikt net zo lang in het rotte hout van onze zekerheden tot hele verdiepingen naar beneden komen. Dat klinkt niet erg sympathiek en zeker niet constructief.

Moeten we die radicale twijfel niet aan haarklovende filosofen overlaten? Zijn sceptici niet gewoon vervelende twijfelaars, die overal vraagtekens bij zetten zonder met een werkbaar alternatief te komen?

Negatievelingen
Die negatieve bijklank heeft het woord scepsis inderdaad in het gewone spraakgebruik. Sceptici, dat zijn negatievelingen. Als je met hen in een museum langs een modern schilderij loopt, beweren ze: 'Dat kan mijn kleine zusje ook'. Als je een boom wilt opzetten over de vraag of rechters te streng straffen, zeggen ze: 'Ik vertrouw rechters sowieso niet'.

Zulke scepsis is inderdaad weinig zinvol. Het is ook geen filosofische scepsis. Want die is er nooit op uit de deur dicht te gooien, maar juist om een gesprek te beginnen.

Waarom lijkt dit schilderij dan op een kindertekening? Is het vonnis van die rechter wel rechtvaardig? Filosofische scepsis breekt eerst af, maar met het doel verder te komen, of beter gezegd: dieper. Want op een vloer die wankelt, kun je niet bouwen. En een theorie wordt pas sterk als hij van alle kanten is bevraagd.
  • © Jenna Arts.
  •  
    Mensen die gewoon aan het werk willen zijn niet altijd dol op die filosofische vertraging
Dat is niet alleen zo in de geschiedenis van de filosofie, waar de ene reus voortbouwt op de twijfels van de andere reus. Zo werkt het ook in het maatschappelijk debat: om een oordeel te verstevigen, moet je het sceptisch onderzoeken. Wat bedoel je eigenlijk als je praat over rechtvaardigheid, over kunst, over gezondheid, over God?

De filosofen die de lezers van Trouw de komende maanden willen uitdagen met hun 'domme vragen' zullen misschien in eerste instantie verwarring en irritatie wekken. 'Hoe ik dat weet? Dat spreekt toch vanzelf?' Maar hopelijk leiden hun twijfel-exercities uiteindelijk tot interessantere gesprekken.

Gevoel voor rechtvaardigheid
Mensen die gewoon aan het werk willen - juristen, ontwerpers, natuurbeschermers, politici en misschien ook scholieren - zijn niet altijd dol op die filosofische vertraging. Want scepsis houdt op en problematiseert wat voor anderen vanzelfsprekend lijkt. Zo heeft wetenschapsfilosoof Ton Derksen weinig vrienden bij het Openbaar Ministerie. Dat hij steeds gaten prikt in de bewijsvoering van het OM, wordt daar niet op prijs gesteld. Maar Derksen doet dat niet om te pesten; hij wordt gedreven door zijn gevoel voor rechtvaardigheid.

Op het eerste gezicht lijkt scepsis te leiden tot morele onverschilligheid. Niets is zeker, en daarmee dreigt het gevaar dat we helemaal geen kompas meer overhouden. Maar een dogmatisch gelijk dat geen sceptische twijfel toelaat, is misschien nog gevaarlijker, zowel in de rechtspraak als in de politiek, of in de kerk. En evengoed aan de keukentafel thuis als in de klas.

Onverdraagzaamheid jegens andersdenkenden maakt elk serieus gesprek onmogelijk. Met de vraag 'Hoe weet je dat eigenlijk?' zou dat gesprek juist op gang kunnen komen.

'Scepsis is geen twijfelzucht, maar aandachtig schouwen'

Dirk Oosthoek is leraar filosofie op het Melanchton Schiebroek in Rotterdam, maar leidt ook filosofiedocenten op en is betrokken bij het uitdenken van de eindexamenprogramma's. Hij is blij met het thema scepsis. Het biedt leerlingen de ideale 'toolkit', de gereedschapskist om ondoordachte vooronderstellingen die ze tegenkomen te bekritiseren. Dat zulke kritiek zou leiden tot onverschillig relativisme, bestrijdt hij: "Scepsis wordt vaak gezien als twijfelzucht, maar eigenlijk betekent het: aandachtig schouwen."

Lukt dat aandachtig schouwen scholieren wel in deze tijd van afnemende concentratie?
"Dat lukt zeker. Ik ben vaak verbaasd over het niveau van eindexamenleerlingen. Ze leren in dit vak echt wikken en wegen. Vorig jaar ging het over de vrije wil. Toen moesten ze daarover tien visies beheersen. En dat lukt ze gewoon. Dat gaat straks met scepsis ook gebeuren."

Tien visies: dat klinkt wel erg theoretisch.
"Je moet het natuurlijk aantrekkelijk brengen. In de les heb ik het vaak over Ton Derksen, die in deze serie in Trouw ook aan het woord zal komen. Dan laat ik zien hoe hij verdachten vrij kan krijgen, puur door de argumentatie van de rechtbank kritisch te bekijken. Dat spreekt aan."

Wat kan de krant bijdragen?
"Actueel lesmateriaal. Maar het is ook prettig dat filosofen hun sceptische vragen loslaten op onderwerpen als kunst, democratie en economie. Dat is een mooie voorzet voor ons om samen te werken met docenten van andere vakken, zoals maatschappijleer."

Jan Verweij werd twee jaar geleden uitgeroepen tot leraar van het jaar. Hij geeft filosofie aan het het Sint-Odulpuslyceum in Tilburg en was aanvankelijk niet erg enthousiast over het thema.
"De afgelopen jaren ging het in het filosofieonderwijs op de middelbare scholen over de vrije wil, deugdethiek, rede en religie. Die onderwerpen leken me relevanter."

Maar inmiddels is hij een stuk enthousiaster. "Ik dacht dat het een nogal theoretische aangelegenheid zou worden. Het tegenovergestelde blijkt het geval te zijn."

Hoezo dan?
"Leerlingen vragen snel respect voor zomaar een mening. Dat vind ik flauwekul. Waarom zou je respect moeten hebben voor de mening van een ander? Ik kan de grootste onzin verkondigen. Kom met bedenkingen, tegenargumenten. Dat is wat mijn leerlingen aan het einde van dit schooljaar moeten kunnen. Door de nieuwe examenstof leren scholieren kritisch omgaan met informatie. En dat kunnen ze wel gebruiken."

woensdag 30 september 2015

Geluk .....

Geluk is iets tussen Boeddha en Frank Boeijen

Psychologie
Op zoek naar het wezen van geluk kwam psycholoog Ap Dijksterhuis uit bij tevredenheid en gemoedsrust, het idee dat het leven zin heeft.

‘Er is geen weg naar geluk, geluk is de weg.” Is dat wat geluk is? Of is dit een betere omschrijving: „Geluk is een hangmat waarin je lui ligt in een wezenloze stilte”?
In het eerste hoofdstuk van zijn nieuwe boek Op naar geluk haalt Ap Dijksterhuis beide definities aan, van de Boeddha en van de Nijmeegse Nederpopzanger Frank Boeijen, en nog een handvol andere. Niet dat hij denkt dat Frank Boeijen wat geluk betreft een onontkoombare autoriteit is. „Hoewel...”, zegt Dijksterhuis in zijn werkkamer, negenhoog in een kantoortoren van de Radboud Universiteit: „We zijn hier natuurlijk wel in Nijmegen. Hij woont dáár.” Hoofdknik richting het raam. En een grijns.
Maar nee, sociaal psycholoog Dijksterhuis had deze definities in eerste instantie bij elkaar gezocht omdat ze van heel uiteenlopende personen zijn: „Niet alléén van oude Grieken, die staan er al genoeg in het boek.” En omdat ze verschillende eigenschappen van geluk beschrijven. Dat geluk een proces is, iets waaraan je kunt en moet werken, en geen momentopname. Dat geluk gepaard gaat met een houding van tevredenheid en gemoedsrust. Geluk is ook iets wat iedereen van nature nastreeft: iedereen is een gelukszoeker. En geluk overstijgt simpel genot: wie gelukkig is, heeft het idee dat zijn leven zin heeft.
Maar bovenal had Dijksterhuis deze definities bij elkaar gezocht omdat hij geen enkele bestaande definitie van geluk goed genoeg vindt. Onderzoekers vragen mensen meestal naar hun ‘tevredenheid met het leven in het algemeen’, maar dat is volgens Dijksterhuis eerder een operationalisatie dan een definitie, iets waardoor onderzoekers afspraken met elkaar over geluk kunnen maken en er onderzoek naar kunnen doen. „Er is veel goed onderzoek naar geluk gedaan”, zegt hij, „en er zijn best veel misverstanden over. Wie zou voorspellen dat de meeste mensen die in een rolstoel terechtkomen na een paar maanden al weer op hun oude geluksniveau zitten? Dat was één van de redenen om dit boek te schrijven: er is heel veel concrete kennis over geluk.”
Maar ‘tevredenheid met het leven in het algemeen’, dat vindt Dijksterhuis dus geen inspirerende omschrijving. En hij wilde graag een inspirerend boek schrijven. „Het liefste heb ik dat iedereen aan het eind van hoofdstuk één voor zichzelf een beeld heeft: dit is voor mij geluk.” Zijn eigen beeld van geluk, schrijft hij daar, ontleent hij aan de Boeddha: „Geluk is een naar binnen gerichte glimlach.”
Daarmee is de toon gezet. Ongeveer een derde deel van Op naar geluk , nadrukkelijk méér dan bij andere populair-wetenschappelijke boeken over geluk, is gewijd aan traditioneel ‘oosterse’ ideeën, zoals meditatie, leven in het nu en het leren beheersen van irritante opdringerige gedachten en gevoelens. De ‘westerse aanpak’ om gelukkig te worden, schrijft Dijksterhuis, probeert vooral de inhoud van het bewustzijn mooier te maken door gedrag dat geluk bevordert. Bijvoorbeeld door minder materialistisch te zijn, prettig met andere mensen om te gaan, een hobby te vinden die bij je past. De ‘oosterse aanpak’ bestaat uit controle krijgen over het eigen bewustzijn, door het te trainen en beter te begrijpen hoe het werkt.
Naar die ‘oosterse aanpak’ is minder experimenteel onderzoek gedaan; Dijksterhuis moet er meer leunen op filosofie. Desondanks noemt hij zijn hoofdstuk over gemoedsrust „het belangrijkste deel van het boek”. Zijn groep is net begonnen met onderzoek ernaar; net als zelfvertrouwen (een typisch ‘westers’ begrip) blijkt ook gemoedsrust zeer sterk samen te hangen met geluk.
U schrijft dat gedachten en gevoelens slechts passeren en geen invloed hebben op je bewustzijn. Maar als je je gedachten verandert, veranderen je gevoelens toch mee? Dat is de basis van cognitieve therapie.
„Nou, ik bedoel meer dat het bewustzijn één grote stroom is van gedachten, gevoelens en waarnemingen, maar dat heeft allemaal geen invloed op het bewustzijn zélf, het zijn allemaal passanten. Je moet het bewustzijn zien, en dat komt ook uit het boeddhisme, als een spiegel die allerlei beelden kan weerkaatsen, maar die beelden hebben geen invloed op de spiegel zelf. Het helpt enorm om je eigen bewustzijn ook als zo’n spiegel te zien. Maar je hebt gelijk: je gedachten en gevoelens hebben wel invloed op de gedachten en gevoelens die daarna komen.”
Dus het helpt om gedachten en gevoelens te zien als iets wat geen invloed heeft, want dan hebben ze minder invloed?
„Ja, dat is eigenlijk het idee. Dit is een beetje subjectief, maar ik heb daar zelf heel veel aan gehad. Op het moment dat iets een beetje tegenzit, ga ik boven mijn eigen bewustzijn hangen en kijk ik naar wat er voorbijkomt. En dan denk ik, pfff, niet zo belangrijk. En dan gaat het weer goed. Dat kun je jezelf aanleren.”
Waar hangt u dan ongeveer?
Hij lacht. „Een paar meter boven mezelf, recht erboven. En dan zie ik mezelf zo zitten. Je lacht jezelf ook een beetje uit – of niet jezelf, maar die gedachte, of die emotie.”
Waarom vindt u dit het belangrijkste deel uit het boek?
„Omdat het je echt enorm kan helpen om gelukkiger te worden, als je leert afstand te nemen van je eigen bewustzijn. En je te realiseren dat wat zich daar afspeelt niet de kern is van wie je bent. Ik vind wat Sam Harris daarover zegt heel mooi.” Dat is een Amerikaanse filosoof die zich in zijn boeken keert tegen religie en voor spiritualiteit. „Harris zegt: je kunt kiezen, óf je bent gijzelaar van je eigen gedachten, óf je kijkt van een rustige afstand naar wat er allemaal gebeurt.”
Dijksterhuis haalt hier ook cabaretier-filosoof Paul Smit aan; die vergeleek de zeurende stem in ons hoofd met Waldorf en Statler, de Muppets die vanaf het balkon overal commentaar op hebben en zo irritante gedachten en gevoelens genereren. „Het helpt als je die stem niet ziet als jezelf. Vooral bij negatieve emoties.”
U beschrijft verschillende soorten negatieve emoties: emoties ‘die je niet altijd kunt vermijden’, emoties ‘die soms functioneel zijn’ en emoties ‘die het vermijden waard zijn’. Wat is het verschil precies?
„Bezorgdheid en verdriet, in de eerste groep, zijn emoties die je niet hoeft te vermijden. Die zijn onderdeel van sociaal leven: als jij van iemand houdt, zul je een keer ergens bezorgd en wellicht ook verdrietig over zijn. Dat is helemaal niet erg, laat dat maar toe, maar niet te lang. Dan zijn er emoties als angst, die je erop wijzen dat iets niet goed gaat. Of schaamte en spijt, daarvan kunnen we leren dat we niet nog eens iets stoms doen. En woede kan je energie geven. In die zin zijn die emoties functioneel. Maar diezelfde emoties zijn ook vaak helemaal niet functioneel, dan heb je er alleen maar last van. En de derde groep bestaat uit emoties waar je eigenlijk vrijwel nooit iets aan hebt. Zoals jaloezie. Dat moet je gewoon helemaal niet doen.”
Waarom hebben we het dan?
„Tja, er zijn evolutionair psychologen die zeggen dat het de band tussen man en vrouw verstevigt. Nou, het zal wel, maar dan nog zou ik zeggen: je hebt er alleen last van. En als je bij een mooie prestatie van iemand anders bijvoorbeeld bewondering zou voelen, dan zou dat ook motiverender zijn dan jaloezie. Jaloezie is een waardeloze emotie.”
Waarom vindt u bezorgdheid en verdriet geen waardeloze emoties? Ze voelen vervelend en komen ongevraagd op...
„Goed punt. Maar van verdriet en bezorgdheid hebben andere mensen in elk geval geen last. Van jaloezie en kwaadheid wel. Verdriet is alleen erg voor anderen als je heel erg in de put zit. De oude Grieken zeiden al: verdriet is een gast die je op tijd weer buiten moet zetten. Het is niet erg als je soms bezorgd bent, of verdrietig, maar op een gegeven moment is het húp, wegwezen.”
U noemt depressie als één van de omstandigheden waar mensen niet aan kunnen wennen, terwijl mensen dus wel vrij snel terugkeren naar hun oude geluksniveau als ze in een rolstoel belanden. Waarom wennen we niet aan depressief zijn, of aan armoede, werkloosheid, slaapproblemen en chronische pijn?
„Volgens mij is dat niet goed onderzocht. Misschien heeft het ermee te maken waar het op ingrijpt. We weten bijvoorbeeld dat werkloosheid sterk samenhangt met zelfvertrouwen en met de hoeveelheid sociale contacten die je hebt. Terwijl je niet minder vrienden hebt als je in een rolstoel zit. En je kunt je voorstellen dat slaapproblemen of chronische pijn op een andere manier ingrijpen op geluk dan werkloosheid of armoede. Er zullen meerdere verklaringen zijn.”
U pleit ook een hoofdstuk lang voor geluksbevorderend overheidsbeleid en lessen gelukskunde op school: ‘Als burgers gelukkig willen zijn, moet de overheid niet alleen maar op het geld letten.’ Maar zou Nederland dan internationaal niet dalen, qua welvaart?
„Veel mensen denken dat geluk en economie, of welzijn en welvaart, communicerende vaten zijn, maar dat is niet waar. Als mensen gelukkiger zijn, gaan ze ook harder werken en hebben ze minder ziekteverzuim, dus dan komt het met die economie ook wel goed. En veel dingen die we kunnen doen zijn helemaal niet zo moeilijk. Je moet erop letten dat iedereen gelijk is voor de wet. Je moet veel gerichter aan armoedebestrijding doen, en opvang bij werkloosheid. Je moet langere vakanties, sabbaticals en zwangerschaps- en ouderschapsverlof bevorderen. Je moet echt investeren in onderwijs – grote investeringen in het onderwijs hebben trouwens vijf tot tien jaar later ook altijd positieve effecten op de economie. En ik vind het heel belangrijk dat geluk in het onderwijs een grotere plaats krijgt. Volgende maand ga ik daar een paar lezingen over geven aan mensen die in het onderwijs werken.”
U wilt eigenlijk dat geluksles onderdeel wordt van het curriculum?
„Precies. En ik begin hier op de universiteit: ik ga dit academisch jaar een cursus geluk geven, voor derdejaars studenten van de hele universiteit.”

Tips uit boek

1
Wees niet te veel met je eigen geluk bezig. Wie te veel op zichzelf gericht is, is ongezonder, voelt zich eenzamer en is minder gelukkig dan wie aan anderen denkt. Probeer anderen te helpen en gelukkiger te maken.
2
Leef niet elke minuut alsof het je laatste is . „Puberale kletspraat”, schrijft Dijksterhuis. Als je beseft dat je je geluk goeddeels in eigen hand hebt, „is er geen enkele reden om je op te laten jagen.” Hij citeert zijn collega Daniel Gilbert: als mensen zeggen dat je elke minuut moet leven alsof het je laatste is, laat dat vooral zien dat sommige mensen zelfs in hun laatste tien minuten nog dom advies aan anderen zouden geven.
3
Beteugel je hebzucht. Aan nieuwe spullen wen je snel, dus die maken je niet gelukkiger. Geef je geld liever uit aan ervaringen: etentjes, reizen, concerten, dingen leren. (Het onderscheid is trouwens niet keihard: soms voelen spullen als ervaringen, bijvoorbeeld als je er met vrienden van geniet.)
4
Breng tijd door met anderen. Uit onderzoek blijkt dat mensen zelfs al opfleuren van een praatje met een onbekende.
5
Neem een hobby (zeker als je boven de 40 bent), zegt Dijksterhuis). Zoek wat bij je past en zorg dat het iets is wat voldoening geeft en waar je van leert.
6
Doe één ding tegelijk. Zet je mail bijvoorbeeld niet continu aan, maar check die een paar keer per dag. Beantwoord elke mail ofwel onmiddellijk, of gooi hem weg, of zet op je to do-lijst wanneer je er iets mee gaat doen. Dan is het uit je hoofd.
7
Onderzoek waar je je vaak vervelend door voelt . Ook mensen die zichzelf heel sensitief vinden, zijn meestal maar gevoelig voor één of twee negatieve emoties, niet voor álle. Dus houd in een dagboekje de negatieve emoties bij die jij ervaart, en waardoor. Pak die gericht aan. Kijk er met afstand naar, lach jezelf uit om je woede of jaloezie, vergeef iemand die je iets heeft aangedaan en probeer verdriet van je af te schrijven.
8
Bedenk elke avond welke twee of drie dingen die dag goed zijn gegaan : de www-techniek ( what went well ).

Onbewust

Ap Dijksterhuis (1968) is hoogleraar sociale psychologie in Nijmegen, waar hij in 1996 cum laude promoveerde op onderzoek naar de onbewuste beïnvloeding van gedrag. Hij deed jarenlang onderzoek aan het onbewuste, ook een tijdje aan de Universiteit van Amsterdam. Bij het grote publiek werd hij bekend door zijn bestseller Het slimme onbewuste (2007). Een paar jaar geleden stapte hij over naar geluksonderzoek. Zijn deze week verschenen boek Op naar geluk vat het geluksonderzoek samen dat hij interessant vindt; de eerste publicaties van zijn onderzoeksgroep hierover komen eraan.

Benjamin Nadjib

Benjamin Nadjib uit Hamburg, die deze fotoserie maakte, ontdekte dat je bij het zien van een portretfoto altijd eerst naar de ogen kijkt. ‘Je ziet interessante nieuwe bijzonderheden,’ schrijf hij op zijn website, ‘zodra mensen worden gefotografeerd met hun ogen dicht. Er ontstaat ook een bijzondere connectie tussen fotograaf en geportretteerde, omdat die laatste zichzelf meer uitlevert aan de fotograaf dan bij een standaardportret.’